Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

Artikelen

Oneindig droogvallen

Het was al licht toen ik wakker werd. Tot mijn verbazing merkte ik dat ik tegen Paul zijn knieën aankeek. Best mooi van zo dichtbij. Niks aan de hand dacht ik, hier op het Hornhuizer Wad spoelt het zand onder het schip vandaan en net als vanmiddag liggen we wat scheef. Ik klim weer wat naar boven en ben blij dat we geen satijnen lakens hebben. Langzaam wakker wordend voel ik me toch niet helemaal gerust. Ik besef me weer dat we 's nachts naar dieper water gevaren zijn en dat we helemaal niet droog horen te liggen, maar in een aantal meters water. Een kopje klettert op de vloer, een stapel afwas glijdt met een hoop geraas in de spoelbak. Al mijn zintuigen zijn in één klap wakker. Ook Paul zit ineens rechtop. Wat was er gebeurt; 's nachts hebben we wel degelijk in diep water gelegen, door de stroming zijn we aan de zijkant van de geul terechtgekomen. De Isis ligt aan stuurboord droog op de hoge steile bank, aan bakboord staat nog één meter dertig water. Oeps! Het is over een uur pas laag en het schip ligt wel 40 graden schuin. Het voelt allemaal heel bizar, maar met de wetenschap dat het water snel weer op zal komen, proberen we koffie te zetten.

Tijdens de laatste ijstijd (ongeveer 12000 jaar geleden) is de Waddenzee één grote toendra. De Noordzeespiegel ligt vele malen lager dan nu. Hevige stormen veroorzaken enorme zandverstuivingen. Het hele land is onder een dikke laag zand verdwenen.

Langzaam verandert het klimaat in onze omgeving, het wordt warmer en vochtiger. De zeespiegel begint sterk te stijgen; van wel-45 meter tot -3 meter onder NAP. De Noordzee loopt vol en het is niet meer mogelijk om naar Engeland te wandelen. De zee dringt diep het binnenland in en vormt een baai, later bekend als de Zuiderzee. Tussen 2100 en 1250 voor Christus stijgt het gemiddeld zeeniveau nog verder naar -1 meter onder NAP. De Waddenzee word steeds groter. Franeker, Bolsward en Sneek maken nog deel uit van het Waddengebied. Een duinenrij ontwikkelt zich in het Noorden en verandert doorlopend.

Seer uytnemende hooghe vloet

24 december 1593.

Op de rede van Texel liggen 150 schepen op gunstige wind te wachten.

Vele schepen slaan tijdens een zeer zware storm van hun ankers en rammen andere schepen.

Vierenveertig koopvaardijschepen vergaan en ongeveer duizend mensen verdrinken.

Nederland wordt tot in de achttiende eeuw regelmatig getroffen door stormrampen en overstromingen. Vele tienduizenden, zo niet honderdduizenden mensen komen om door het verwoestende water. Nederland krijgt in deze periode haar ‘huidige’ uiterlijk. In de middeleeuwen geeft men de rampen de naam van de heiligen waarvan de feestdag valt op de dag van de ramp. Zo zijn er bijvoorbeeld de Allerheiligenvloed, St. Elizabethvloed, Damianusvloed, St. Lucasvloed en een groot aantal Kerstvloeden. Vrijwel alle heiligen hebben wel hun naam gegeven aan een ramp.


De ergste ramp doet zich voor in 1570, de Allerheiligenvloed. Op 1 november van dat jaar zweept het water nog hoger op dan in 1953. Primeur bij deze vloed is dat er voor gewaarschuwd was: de Domeinraad in Bergen op Zoom heeft op de ochtend van de ramp een waarschuwing gegeven voor "seer uytnemende hooghe vloet". Het heeft niet geholpen, het wordt de ergste watersnoodramp uit de geschiedenis van ons land.
Talloze dijken aan de Hollandse kust begeven het en het water richt een complete ravage aan. De hele kust van Vlaanderen tot Groningen overstroomt. Friesland (waar meer dan drieduizend mensen omkomen) en Zeeland worden zwaar getroffen. Maar het was eigenlijk overal mis: een brief van de hertog van Alva aan koning Filips II vermeld dat maar liefst vijfzesde deel van Holland onder water staat.


De dijkpeilstenen van Hudde

De oudste vermelding van de naam 'Stadspeylsteen' in Amsterdam duikt op in 1674. Toen het stadspeil van Amsterdam ook buiten Amsterdam in gebruik werd genomen, ontstaat de benaming Amsterdams Peil (AP). Na een ernstige overstroming in 1675 geeft de burgemeester van Amsterdam, Johannes Hudde, opdracht de zeewering langs de zuidelijke oever van het IJ aanzienlijk te verhogen en er sluizen in te bouwen. Met behulp van acht grote, witmarmeren stenen wordt in 1683 in opdracht van Hudde de hoogte van de verhoogde zeedijk langs het IJ vastgelegd ten opzichte van het stadspeil. Deze 'stenen van Hudde' zijn ingemetseld in de acht sluizen in de nieuwe dijk langs het IJ. De horizontale groef op de stenen is op zeedijkshoogte aangebracht; te weten 9 voet en 5 duim (2,676 m) boven het stadspeil.


Eén jaar voor dat onze Klipper Isis (1892) voor de eerste keer te water werd gelaten werd de naam 'Normaal Amsterdams Peil' (NAP) geïntroduceerd. Na een nauwkeurigheidsmeting ontdekte men dat de hoogte van veel peilmerken niet juist waren, deze zijn toen aangepast. Vanaf dit moment werd AP (Amsterdams Pijl) NAP (Normaal Amsterdams Pijl). Het referentieniveau van het NAP is gelijk gebleven aan dat van het AP.


De definitie van het AP (later NAP) luidt sinds 1683 tot heden: 9 voet en 5 duim beneden het merk op de stenen van Hudde. De acht primaire merken van het AP lagen in één waterpas vlak. Op die manier was het AP gefixeerd.


Het IJ staat tot 1932 nog in verbinding met de Zuiderzee die op haar beurt in open verbinding staat met de Waddenzee en de Noordzee. Ook eb en vloed waren dus nog merkbaar op het IJ, al is het gemiddeld tijverschil 32 cm minder dan langs de Noordzeekust. De Zuiderzee is in 1932 door de Afsluitdijk afgesloten van de Waddenzee en de Noordzee. Eb en vloed hebben hier geen invloed meer.


Het idee achter NAP is heel simpel. De theorie is echter niet zo makkelijk; het NAP-niveau is namelijk geen plat vlak, maar een gebogen vlak dat de kromming van de aarde volgt. Het gaat hier om de hoogte van én verschillen tussen punten op een bol, onze aardbol. Op een afstand van 10 km is het verschil tussen een plat vlak en het gebogen aardoppervlak al 7.80 m. De zeespiegel is ook geen plat vlak, maar een gebogen vlak. Het oppervlak van de wereldzeeën volgt ook de kromming van het aardoppervlak dankzij de zwaartekracht. Het NAP is een eenmaal gekozen en vastgelegd referentieniveau. De stand van de zee is geen vast gegeven, maar verandert in de loop der tijd ten opzicht van dit referentieniveau. Na de laatste ijstijd, toen de Noordzee helemaal was drooggevallen is de zeespiegel wereldwijd wel honderd meter gestegen. Dit kwam door het afsmelten van de ijskappen op aarde en de uitzetting van het oceaanwater door de stijging van de temperatuur. In Nederland speelt ook de bodemdaling een rol door beweging van de aardkorst en winning van gas en zout.

Gemiddeld Laag Laag Water Spring (GLLWS)

Wie het Wad op gaat kan, naast het NAP, niet om de term GLLWS (gemiddeld laag laag water spring) heen. Op de kaarten die we op de Waddenzee gebruiken staan de diepten vermeld ten opzichte van het reductievlak van GLLWS.

Het reductievlak, dat door middel van lange reeksen van waarnemingen is bepaald, ligt zo laag dat tijdens "normale" meteorologische omstandigheden het water zelden minder diep zal zijn dan dat de kaarten aangeven. Het voorspelde getij zal dus zelden ‘negatief’ zijn. Omdat de vorm en grootte van de getijcurve per locatie verschilt, is ook het verschil tussen de gemiddelde zeestand en het reductievlak per locatie verschillend. In Harlingen is het reductievlak -1,20 m ten opzicht van NAP, bij Terschelling is dit -1,40 m ten opzichte van NAP. Overigens zal door de internationale standaardisatie in de nabije toekomst het reductievlak van GLLWS overgaan in Lowest Astronomical Tide (LAT).

droog·val·len (onov.ww.)

1 bij het vallen van het water droog komen te liggen

2 de allerlaatste druppel uit de fles nuttigen

Het bewust aan de grond zetten van je schip noemen we droogvallen. Het schip en de plek waar je gaat droogvallen moeten hiervoor goed geschikt zijn. Er zijn op het Wad een groot aantal utopische plaatsen waar je heerlijk kunt droogvallen. Wantijen lenen zich uitermate goed voor deze magnifieke ervaring. Doordat er weinig water op een wantij staat hebben golven en wind een geringe invloed op het schip. Zet je je schip op een hoge plaat droog dan zul je ook pas laat weer drijven. Wantijen liggen op een prima plaats om een tocht tijdelijk te onderbreken of om lekker romantisch de nacht door te brengen. Tijdens zonsondergang droogvallen en op het achterdek genieten van al deze schoonheid zijn aspecten die het Wadvaren adembenemend mooi maken.

Met alle noordelijke windrichtingen is het prima liggen in de beschutting van de eilanden. Zandplaten die bij hoog water droog blijven, zoals de Richel en bij de Engelsmanplaat, zijn ook prima overnachtingplaatsen. Steile banken, geulen waar veel scheepvaartverkeer is en de onbeschutte zijde van zandbanken kun je beter mijden. Een vlakke bodem, zand in plaats blubber en de hoge kant van de zandbank hebben de voorkeur.

Recept voor droogvallen

Droogvallen doe je altijd gepland, vastlopen ook! In ieder geval is dit je verhaal tegen de opvarenden en collega-schippers in de buurt. Ook wanneer dit niet het geval is dan is het toch zo! Het kan natuurlijk altijd gebeuren dat er tijdens het volgende hoogwater minder water komt en het niet lukt vlot te komen. Dat is pas het moment om je af te vragen of je nog geloofwaardig bent. Blijk je met springtij vastgelopen te zijn dan kan het zijn dat ‘één week boodschappen’ niet voldoende is. Hét moment om hulp in te roepen. Echter, wanneer je het volgende recept regelmatig gebruikt is de kans op een geweldige droogvalervaring zeer groot.

Men neme voor dit overheerlijk droogval-avontuur de volgende ingrediënten:

1 Kaartdiepte uit de recente Waddenkaart van het betreffende gebied

1 Vers waterstandenboek (HP 33)

1 Schip

1 Een mooi stukje gemiddelde waterstand (GLLWS)

1 NAP-tje

1 Agenda

1 Marifoon voor de laatste hoeveelheden informatie

Als we deze ingrediënten met elkaar vermengen weten we wat de werkelijke hoeveelheid water is op een bepaalde plaats op de Waddenzee. Ook kunnen we berekenen hoe ver en hoe lang we droog gaan vallen.

Uit de geijtafels (HP33) of uit de gegevens op de kaart (tekst in hoekje) halen we wat het reductievlak (GLLWS) is ten opzicht van NAP. De voorspelde waterhoogte ten opzichte van GLLWS staat in de HP33 per uur aangegeven.

Kies in het Waterstandenboek de plaats die het dichtst bij je positie ligt. Op de kaart zie je het diepte- of hoogtecijfer. Het hoogtecijfer geeft aan hoe veel het hier droogvalt ten opzichte van GLLWS. De verhoging of verlaging ten opzicht van de verwachte waterstand wordt gemeld in het weerbericht voor de scheepvaart (Brandaris, kanaal 2, elke dertig 30 minuten voor even uren en Verkeerspost Schiermonnikoog, kanaal 5, elke 30 minuten voor oneven uren).

Rekenvoorbeeld: We varen met een heerlijk westelijk windje van Terschelling naar Ameland. Voor ons ligt een zandbank. Op de kaart staat een hoogte van 02, dus 2 decimeter droogvallend bij GLLWS.

Eens kijken of we hier overheen kunnen.

De diepgang van ons schip is 1.30 m

Het is vandaag 18 juli, 13.02 uur

In de tabel van de HP33 vinden we op die dag en dat uur dat er 12 dm water staat, dit is ten opzichte van GLLWS. De kaarthoogte is óók ten opzicht van GLLWS.

Dus: 12 – 2 = 10 dm. Met een diepgang van 13 dm kunnen we hier dus nóg niet varen.

Nu horen we via de marifoon dat er een verhoging is van 37 cm. Yes, we kunnen er overheen want er staat dus geen 10 dm maar 10+3,7 is 13,7 dm water! Een handbreed water onder het schip is onder deze omstandigheden net voldoende.

Over de marifoon horen we een collega een waterstand vragen. De Brandaris meldt dat de waterstand voor Terschelling -3 is. Hij bedoeld dan dat de waterstand 3 cm onder NAP is.

Klopt als een bus, want…… GLLWS = 14 dm - NAP 3 cm = 1.37 m.

Dergelijke berekeningen worden kinderspel tijdens onze Praktijkopleidingen Wadvaren.

Tijdelijk droogvallen

Lang geleden was ‘droogvallen op het Wad’ niet mogelijk omdat er gewoon geen Waddenzee was.

Alles was land.

In de nabije toekomst wordt een versnelde stijging van de zeespiegel verwacht als gevolg van de klimaatverandering.


Alles is zee.

Recente modelberekeningen komen voor de periode 1990-2100 uit op een wereldwijde stijging van het water van tussen 11 en 77 cm. Andere scenario’s spreken zelfs van stijgingen tussen de 9 en 88 cm. De wetenschap dat Nederland ook nog langzaam kantelt en dat de bodem in rap tempo daalt doet ons beseffen dat we maar tijdelijk kunnen droogvallen. We moeten dus nú genieten van dit Wereldlijk Erfgoed, nú het nog kan…..

Op May 18, 2009


Ingediend door Klipper Isis

Dokkade 1, Harlingen